Van straatbendes in achterstandwijken tot grote commerciële bedrijven: de evolutie van graffiti

Zelf ben ik graffiti gaan appreciëren toen ik aan de serie The Get Down begon. Deze serie speelt zich af in de jaren 70 in de Bronx, waar de hiphopcultuur opkwam en steeds populairder werd. Graffiti was in die tijd in de serie een belangrijk onderdeel van de maatschappij: een expressieve vorm van kunst waar de stad mee werd versierd. Een stukje vreugde in die bewogen tijden. Sinds het kijken van deze serie, en de mooie kleuren die de graffiti daar in de stad bracht, ben ik mij af gaan vragen: Wat voor rol speelt graffiti nu nog in onze samenleving?

 

Als je diep de geschiedenis in gaat van graffiti, kom je erachter dat graffiti lang geleden is ontstaan, namelijk in 40.000 voor Christus. Holbewoners maakten toen namelijk al rotsschilderingen. Er werden jachtdieren, jachtwapens en jagers afgebeeld op deze tekeningen. Er zijn verschillende theorieën over waarom de rotstekeningen gemaakt werden: in eerste instantie werden deze tekeningen gezien als kunst. Maar het is mogelijk dat de tekeningen ook meer betekende: holbewoners dachten dat het de wilde dieren zou wegjagen, als een soort vogelverschrikker.

Een stuk verder in de tijd, ontstond de graffiti als hoe we het nu kennen: letters en plaatjes gespoten door de stad, op metro’s, op skatebanen, onder viaducten en op houten borden voor gesloten winkels. Deze kunstvorm is ontstaan in de jaren 60 in New York. Eerst werd graffiti nog door jeugdbendes gebruikt om hun territorium te claimen. Ze schreven de namen van hun bendes op muren en gebouwen door de stad heen. Maar al snel daarna, toen de hiphopcultuur steeds populairder werd, begonnen aanhangers van deze cultuur graffiti te gebruiken als kunstvorm: het spuiten van plaatjes en spreuken, met vrolijke kleuren. Creativiteit en originaliteit werden steeds belangrijker. Met als doel de saaie stad opfleuren met kunst.

Emma (25) komt binnenlopen in de Coffee company op Weesperplein, hier hadden we namelijk afgesproken. Ze komt tegenover me zitten, en ik complimenteer haar over haar outfit. Je kan eigenlijk al zien dat ze graffiti artiest is door de manier waarop ze zich kleedt, ze draagt namelijk streetwear. Streetwear komt uit de hiphopcultuur, waar graffiti groot werd. Na het bestellen van koffie en het uitwisselen van gewone koetjes en kalfjes, vraag ik aan haar hoe ze is begonnen met graffiti. Emma vertelt: “Ik begon gewoon met tekenen met potlood en papier. Dit heb ik zo’n 2/3 jaar gedaan, tot ik geïnteresseerd werd in graffiti spuiten. Met mijn ex-vriendje ben ik gaan painten op een muur, maar toen kon ik er niks van. Ik ben er toen ook gelijk mee gestopt, en heb het toen een paar jaar lang niet meer gedaan.” Ik vroeg aan haar waardoor ze uiteindelijk toch wel weer is begonnen met graffiti, “Dat is een grappig verhaal”, vertelt ze: “Met Koningsdag zat ik in de trein en had ik een paar borrels op. Ik raakte daar aan de praat met een jongen met verfspetters op zijn kleren. Ik vroeg aan hem waar die verfspetters vandaan kwamen, en hij zei dat hij graffiti spoot.” Emma heeft toen nummers met hem uitgewisseld, en de week daarna stonden ze samen graffiti te spuiten. “Via hem heb ik nog een andere graffiti artiest leren kennen, die mij uiteindelijk alles geleerd heeft over graffiti. Echt heel tof.” Ik vroeg aan Emma wat graffiti voor haar betekent. Ze vertelt: “Ik ben heel chaotisch en druk in mijn hoofd. Als ik aan het painten ben, is mijn hoofd eventjes leeg, dus het is voor mij echt een moment van rust.”

Waar vroeger in 40.000 voor Christus graffiti werd gezien als kunst, associëren mensen het nu ook meer met vandalisme. Dat is ook niet gek, je kan namelijk een gevangenisstraf van één maand tot zes maanden krijgen, en een geldboete van 26 euro tot 200 euro. Emma vindt dit ook grote bedragen, daarom probeert ze zelf zo min mogelijk op illegale plekken te painten. Emma vertelt: “Ik woon zelf in Castricum. Daar waren eerst geen legale plekken om graffiti te spuiten.” Daar heeft Emma een stokje voor gestoken en is naar de gemeente gestapt: “Uiteindelijk hebben ze een plek waar al graffiti gespoten werd, gelegaliseerd. Dat was erg leuk, niet alleen omdat ik eindelijk in rust graffiti kon painten, maar er werd ook een stuk over in de krant gezet, met een foto van mijn werk erbij.”

Je kan dus met de gemeente in overleg over het legaliseren van graffiti op bepaalde plekken, en dat laat zien dat er een ontwikkeling is in het legaliseren van graffiti. Waar het vroeger jongeren uit de achterstandswijken van Amerika waren die graffiti spoten, zijn er nu bijvoorbeeld ook graffiti artiesten die een aan kunst gerelateerde opleiding hebben gedaan. Er zijn nu ook steeds meer graffiti kunstwerken die legaal in opdracht worden gezet. Graffiti is daardoor bijna een commercieel product geworden. Maar elke zonzijde heeft zijn keerzijde: er zijn graffiti artiesten die vinden dat daardoor de essentie van de graffiti kunst vervaagt: wanneer graffiti een commercieel product wordt, gaat de connectie met de straatcultuur verloren.

Emma vindt dat graffiti zeker iets kan toevoegen aan de samenleving. Ze vertelt: “Kijk bijvoorbeeld naar het NDSM in Amsterdam. Het kan de straat een hele leuke opkikker geven.” Ze gaat door: “Maar het kan ook zeker een downgrader zijn. Wanneer een artiest niet zijn best doet kan het ook lelijk uitpakken. Dat is zonde van het straatbeeld van een stad.” Ze vertelt dat er in de scene ongeschreven regels zijn, waar de meesten zich wel aan houden. Namelijk dat je niet ergens overheen mag painten waar al iets staat dat mooier is dan wat jij gaat maken. “Dat is namelijk respectloos” gaat ze verder. “Ook is er een ongeschreven regel dat je gewoon niet op andermans bezittingen gaat spuiten. Graffiti moet leuk blijven, en dat doe je gewoon niet.”

Graffiti is hedendaags dus nog steeds een vorm van vandalisme, maar is ondertussen ook een commercieel product geworden. Emma is bijvoorbeeld ook gevraagd door de Hema om op hun deuren de naam van het merk te schrijven. Ze vertelt: “Dit was erg leuk, ook omdat dit laat zien dat zij supporters zijn van deze vorm van kunst.”

In conclusie, of je de kunstvorm nou mooi vindt of niet, graffiti heeft een mooie weg afgelegd: van straatbendes in achterstandwijken tot grote commerciële bedrijven. Het is ondertussen een toffe manier geworden om een spreuk, product of boodschap te promoten.

 

 

 

 

 

Voor mij blijf je altijd klein, Amsterdam

Vroeger was ik boos, boos op jou Amsterdam.

Maar nu weet ik, je was altijd al mijn grootste geluk.

Vroeger was ik boos, boos dat je mij geen grote tuin gaf met een trampoline en een schommel.

Maar nu weet ik, je gaf mij alle trampolines en schommels die je had, op elke mogelijke hoek van de stad.

 

Veel mensen zijn nog steeds heel boos, boos op jou Amsterdam.

Boos, omdat je doorslaat in iedereen alles willen geven wat je hebt.

Want je hebt te veel fietsen, maar te weinig autowegen.

En je hebt te veel mensen, maar te weinig huizen.

 

Iedereen wil iets van jou, maar je raakt langzaam op.

Waarom begrijpen al die boze mensen jou niet zoals ik jou begrijp.

Ze kijken over je heen, maar je kleine schoonheid vergeten ze soms even.

Ik zie je wel Amsterdam, en ik wil dat de rest dat ook zo ziet.

 

Want Amsterdam je lijkt zo groot, maar eigenlijk blijf je altijd klein

In andere steden kan ik verdwalen, maar Amsterdam jij houdt mijn hand altijd stevig vast

Blijf bij mij, klein Amsterdam.

 

Want van jou mag ik soms stiekem naar binnen kijken bij de andere stadsbewoners en mij met hun verbonden voelen.

En van jou mag ik soms stiekem naar blote vrouwen kijken en mij met hun verbonden voelen.

Van jou mag ik soms stiekem toeristen uitschelden wanneer ik fiets en mij niet met hun verbonden voelen.

En van jou mag ik met trots zeggen dat ik Amsterdammer ben en mij met jou verbonden voelen.

 

Ik ga je helpen Amsterdam.

Ik ga je helpen met de boze mensen, ze van je laten houden zoals je bent.

Ik ga je helpen met blijven zoals je bent.

Heb geduld, luister en blijf nog even bij mij klein Amsterdam.

 

Ik ga ze van alles van je laten houden,

Van je gekke paaltjes en spannende steegjes,

Van je gekke mensen en spannende avondwandelingen.

 

Nu ben ik nooit meer boos, boos op jou Amsterdam. Want nu weet ik, ik ben boos dat ik zo boos op jou was.

‘Ik had eigenlijk een selfie met de koning moeten maken.’

Interview met Iriée Zamble Tekst en beeld door: Victoria Ruiz Lopez

Had je ergens zien aankomen dat je de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilder-kunst zou winnen of was dit echt een verrassing?
Iriee: ‘Eigenlijk heb ik het winnen van deze prijs gemanifesteerd. Toen ik aan het schilderen was maakte ik al een drieluik. Dat deed ik omdat winnaars een derde werk maken terwijl genomineerden in eerste instantie maar 2 werken indienen. Maar echt verwachten deed ik het natuurlijk niet. Ik heb geprobeerd mijn beste werk te laten zien en gelukkig hebben de juryleden dit gezien en mij daar ook voor beloond.’

twice as nice

she who comes with her own things

 

she who walks like a lion

 

 

Hoe was het om de koning te ontmoeten en je werk te bespreken?

Iriee: ‘Ik had eigenlijk een selfie met de koning moeten maken nu ik erover na-denk. Het was heel raar om met hem te staan kijken naar mijn werk. Er is ook wat bijzonders gebeurt wat ik eigenlijk niet mag vertellen maar laten we zeggen dat een van mijn schilderijen al een thuis heeft gevonden na deze tentoonstelling.’

 

Wat verandert er nu voor jou na het bereiken van zo een mijlpaal als jonge kunstenaar?

Iriee: ‘Ik hoop niet dat ik nu al mijn grote mijlpalen achter elkaar behaal en dan in-eens in een gat val. Er gaat nu, zeker na deze winnen van deze prijs, een heleboel in een sneltrein voor mij en ik ga een heleboel grote mijlpalen en doelen bereiken voor ik 30 ben. Ik kom bijvoorbeeld in november in de nieuwe editie van Vogue.Dat is in de traditionele zin voor een kunstenaar vrij snel. Het is dus nu aan mij de kunst om nuchter te blijven en mezelf bezig te houden. Ik blijf dus gewoon door-schilderen en doorwerken aan nieuwe doelen die op mijn pad komen.’

Kunst is mooier wanneer het regent

Het is koud, het regent en de dag lijkt verpest. “Het was echt net nog zomer” Denk ik in mijzelf, terwijl ik depressief naar buiten kijk. Lopend naar de keuken en eenmaal daar zie ik de tweede bui al hangen. Geen avond eten in huis. “Godverdomme” Zeg ik hardop terwijl de regen met een rotgang tegen het keukenraam aan knalt. “kan jij niet wat voor mij halen?” vraag ik glimlachend aan mijn huisgenoot. Nee was het antwoord, hij moest zo werken. “je bent niet gemaakt van suiker en de supermarkt is om de hoek. Je bent echt zo terug” Hij heeft ook gelijk maar het natte weer maakt de bank en het warme deken nog zo verlijdelijker. Met zware tegenzin kleed ik mij om, loop ik de trap af en ga naar buiten. Terwijl ik eenzaam slenter naar de appie en de ijskoude druppels over mijn gezicht stromen zie ik links een betoverend kunstwerk op het gebouw geverfd.

“Wat komt aanvliegen van ver of dichtbij, de mus of halsbandparkiet, in Amsterdam horen we er allemaal bij.”

Een felgekleurde vogel, geen idee wat voor soort, kijkt mij aan. De coloriet schijnend als de zomer tussen de grouw verlichte dinsdagmiddag. Ik dacht er niet zo veel van. Ja, het is mooi en ja, het is beter dan een lege kale muur van bakstenen, maar ik moet naar de supermarkt en de boodschappen doen zichzelf niet.

“Beter een goede buur, dan een verre vriend.”

Eventjes verderop weer een tekening. Een man. Hij heeft een blauwe trui aan, een zwarte pet op en kijkt met emotie gevulde ogen weg van het gebouw. Verdrietig, naja dat is wat ik er bij voel. Misschien ben ik dat wel. Ik voel mij als die man. Vreugdeloos, maar sterk. Hij zal niet opgeven, ook al zijn er tegenslagen. Eenzaam, maar zo voelen veel mensen zich, speciaal ben ik daarin niet. Ik kijk om mij heen en er is niemand. Ik moet stoppen met mijzelf mentale problemen aan te praten en eten op tafel zetten.

“It’s beauty. It’s the light that emerges from the darkness.”

Zo’n vijftig meter opgeschoven kan ik het toch niet laten en kijk ik weer naar links. Het lijkt  alsof een aziatische godin in een muur is gevangengenomen. De magischrale kleuren zorgen ervoor dat het kunstwerk tot leven komt als licht uit de duisternis. Buitenlandse tekens en apparte patronen prikkelen mij tot het punt dat ik buiten wakker word gemaakt uit mijn slapende tocht naar de supermarkt. Wat kunst hoort te doen, naar mijn mening. Opvallen, aanspreken en iemand tot het denken zetten. Ik ben in Amsterdam maar het voelt niet meer zo. Aandachtig scan ik heel het kunstwerk voor aspecten die mij aanspreken, terwijl zonder ik het doorheb, in mijn hoofd naar Japan ben gevlogen. Al langer een probleem van mij. De hele tijd vliegen en kei hard landen, maar nooit echt geaard op de grond. De reden waarom de herfst ook vaak hard binnenkomt. Ik dwaal af merk ik. Ik moet ook gewoon nog avondeten.

“In case of lost childhood, break glass.”

Een grote rode doos met een glazen plaat aan de voorkant. In de doos verschillend speelgoed en onder de doos een hamer om het glas mee te breken. De mogelijkheid om jezelf te redden en terug te keren naar het kind binnen in jezelf. Ik vind het niet mooi maar het concept spreekt mij aan. Moet je zelf opzoek naar de mooie dingen? Is er een remedie voor het corruperende herfst gedachtes? Ja, maar je moet het zelf doen en het is eng. Zelf de hamer pakken en het glas kapotmaken. Zelf beslissen waar je voor kiest, hoe je wilt leven en of je bereid bent iets te breken waarvan je dacht dat het comfort brengt. De dag word lichter. Niet omdat de zon ging schijnen, maar omdat mijn positieve gedachten reflecteren op mijn werkelijkheid.

“Carrying Belongings”

Het kunstwerk spreekt mij visueel minder aan dan de voorgangers en dat komt door de lage hoeveelheid aan verschillende kleuren. Daarentegen verteld het wel het verhaal van elke Amsterdammen, en mijzelf vandaag. Ik draag mijn keuzes en gevoel met mij mee als eigendom. Net als de zwarte mannen die hun eigendommen met zich meedragen. Iedereen heeft zijn problemen, maar vind rust in het feit dat je daarin niet alleen bent.

“Het wapen verbroederd”

Rood, zwart en wit. De sterke kleuren bregen positieven gevoelens bij naar boven. Waarschijnlijk omdat ik al mijn hele leven Ajacied ben en ik een seizoenskaart heb van de club. Amsterdam en Ajax, broederschap. Het gevoel van erbij horen. Het niet alleen doen maar kunnen leunen op anderen. Onderdeel zijn van een tribe, een idee zo oud als de mensheid. Het voelt alsof kunstwerk per kunstwerk ik sterker in mijn schoenen sta. In eenzaamheid begonnen en nu leeft het gevoel van saamhorigheid. Inderdaad, zeg ik lachend tegen de doodstille muur van bakstenen. Het wapen verbroederd.

 

“The little wizard loves his neighborhood. He is happy to help out when he’s needed. But when it comes to settling disputes, then patience and compassion are more useful then magic.”

Een combinatie van beeld en tekst. Een emotioneel kunstwerk waarin het meisje zorgt voor de dieren uit de buurt. Na de broederschap en het leunen op elkaar, komt nu de hulp verlenen aan mensen om je heen. Voor een ander zorgen en niet alleen vanuit jezelf denken. Grappig hoe ik eerst alleen bezig was met mijzelf, hoe slecht ik mij voelde, het slechte weer en het feit dat ik door de regen moest lopen voor de boodschappen. Terwijl, als je om je heen kijkt er vaak mensen zijn met minder of het slechter hebben. Natuurlijk kan ik mij lichtelijk depressief voelen maar zoom even uit en zie dat het meevalt. Het blijft een wonder hoe kunst de hersens kunnen laten philosoferen over het leven.

“De appel valt niet ver van de boom.”

Een mix van sterkte kleuren als oranje, blauw, rood, geel, paars, groen en het contrast met zwart, wit en grijs. Anders dan de vorige kunstwerken, want het zet mij niet aan het denken, maar ik vind het wel mooi eruit zien. Creatief gemaakt en verdeeld in vlakken. Ik houd wel van vlakken. Dat is denk ik de kleine autist in mij.

“Wherever you come from, here you are welcome.”

De hoeveelheid aan kleuren schijnen prachtig door de donkere sfeer van vandaag. De ooievaar symboliseerd verzorging en het meisje de liefde. Het brengt mij tot rust. Net als het  natuurgebied waar ik ben opgegroeid. Erg mooi, meer kan ik er ook niet van maken. Soms zijn dingen gewoon mooi en moet je het zo laten.

“A floating woman in a dove colored cloth, blending with pigeons, whereby the pigeons are used as a symbol for freedom and the city of Amsterdam.”

Het meest aansprekende kunstwerk van allemaal. Het symboliseerd het leven in de stad, het leven in amsterdam. Een gradient van turquiose en lila raken de juiste snaar bij mij. De vrouw die zweeft in de lucht met vliegende duiven om haar heen. De kunst schijnt feller wanneer het regent en grauw is omdat het contrast dan groter is en de schoonheid versterkt. Vrijheid broeit in mij en de koude regen voel ik niet meer. De herfst mag beginnen.

Hofjes: een verborgen uitkomst tegen eenzaamheid

Ze ontstonden in de dertiende eeuw en zijn een typisch Nederlands verschijnsel. Waar ze vorige eeuw nog werden afgebroken, zijn ze inmiddels bijzonder historisch erfgoed. Volgens Bouwkunde student en voormalig hofjesbewoonster Mikkie Spiering (25) moeten er hofjes worden bijgebouwd. Deze manier van wonen is volgens haar dé oplossing tegen eenzaamheid: ‘Je kent iedereen van gezicht, waardoor de drempel om een praatje te maken in de tuin heel laag ligt.’ 

Amsterdam telt tot op heden 56 hofjes. De knusse binnenplaatsjes omringt door authentieke woningen zitten verstopt achter nietsvermoedende gevels. De meeste hofjes werden eertijds gebouwd in opdracht van vooraanstaande burgers. Dit soort hofjes vallen onder de categorie particuliere stichtingen. Op deze manier hielpen ze de armen en reserveerden ze een plek in de hemel. Naast particuliere hofjes werden er ook hofjes gebouwd vanuit kerkelijke en stedelijke overheid stichtingen. Hofjes vanuit de laatste categorie zijn in de loop der eeuwen onderdeel geworden van gemeentelijke woningbouwcorporaties. Zo ook het Looyershofje aan de Vijzelgracht in Amsterdam.  

Een tal aan voordelen 

Spiering is voormalig bewoonster van het Looyershofje. Dit hofje werd begin 1800 gebouwd en was bestemd voor alleenstaande vrouwen boven de vijftig jaar. Inmiddels wordt het hofje bewoond door studenten. Volgens Spiering zitten er veel voordelen aan het wonen in een hofje. ‘Het zijn vaak plekken die midden in de stad zitten. Er heerst een rustige atmosfeer en ze hebben historische kenmerken. Wat mij betreft drie grote pluspunten.’ De grootte van de hofjes en het aantal mensen die zich daar begeven zijn volgens haar belangrijke succesfactoren. ‘Je kent iedereen van gezicht, waardoor de drempel om een praatje te maken laag ligt.’ Wanneer Spiering over de grootte van hofjes spreekt refereert ze naar de relevantie van de grootte van pleinen. Dit is iets wat ze tijdens haar opleiding heeft geleerd. ‘Mensen verkiezen kleine schattige pleinen boven grote pleinen waar mensen zich juist klein voelen. Het hofje werkt dus goed, omdat het niet te groot is.’

Sociale cohesie 

Het grootste voordeel aan het wonen in een hofje is volgens Spiering het tegengaan van eenzaamheid. ‘Ik zou een hofje wat betreft sociale cohesie absoluut verkiezen boven een appartement.’ Spiering stelt dat eenzaamheid onder jongeren door de Coronapandemie een erkent en groeiend probleem is geworden. Zelf groeide ze op in een flatwijk waar ze weinig contact had met haar buren. ‘Je komt elkaar tegen in het trappenhuis, maar daarna is het voornamelijk ieder voor zich.’ In een hofje gaat dat volgens Spiering anders. ‘Iedereen woont daar op zichzelf, maar ook samen. Ieders voordeur komt uit op de tuin en je loopt er telkens doorheen. De tuin is het hart van de gemeenschap. Een stuk beter dan de kille gang van een appartementencomplex of een flat.’ 

Peter Remmelenkamp (67) woont tot op heden in het Looyershofje en deelt Spierings mening. Het hofje, dat wordt beheerd door woningbouwcoöperatie de Key, is uitsluitend bedoeld voor studenten. Toen Remmelenkamp in het hofje ging wonen, tekende hij een contract voor onbepaalde tijd. Dit maakt dat hij inmiddels 34 jaar in het Looyershofje woont. Remmelenkamp is ook van mening dat hofjes uitkomst bieden tegen eenzaamheid. ‘Ik ben alleenstaand, dus vooral in de Coronaperiode was het fijn om wat aanspraak te hebben. Een keer een klein praatje of een goedemorgen vond ik prettig.’ 

Knarrenhofjes 

Remmelenkamp is ook een voorstander van het bijbouwen van hofjes. Hij is van mening dat dit voor zowel jongeren als ouderen een prettige manier van wonen is, die vele voordelen met zich meebrengen. Remmelenkamp noemt de zogeheten Knarrenhofjes. Dit zijn hofjes waarin zowel jongeren als ouderen kunnen wonen. Het idee hierachter is dat er een levendige gemeenschap ontstaat waarin men van elkaars kennis en gezelschap profiteert en dat zonder verplichtingen. ‘Dit concept biedt wat mij betreft de ideale uitkomst om eenzaamheid tegen te gaan.’ 

 

 

Bronnen

https://hofjesinamsterdam.nl/ 

https://www.amsterdam.nl/nieuws/achtergrond/hofjes/ 

https://www.hofvanwouw.nl/over-de-hof-2/geschiedenis 

https://knarrenhof.nl/wat-is-knarrenhof/ 

 

 

Een eeuw later weer overspoeld

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 vond de watersnoodramp plaats. Volgend jaar is dit 70 jaar geleden. Een ramp waarbij 200.000 hectaren grond onderwater kwamen te staan, wat voor 1836 mensen het leven kostte, waarbij tienduizenden dieren verdronken en wat enorm veel schade met zich meebracht. Een ramp waarvan je hoopt dat die zich nooit meer zal herhalen. Helaas voorspellen wetenschappers dat de kans dat we dit nog een keer mee zullen maken vrij reëel is. Dit keer als gevolg van de opwarming van de aarde. De mens wordt in de toekomst vaker geconfronteerd met overstromingen, er is minder drinkwater en zoet water beschikbaar en verzilting als gevolg van extreme droogte zorgt voor slechte land- en tuinbouwoogst.” (Watersnoodmuseum, 2021) 

 

Dit verhaal is geïnspireerd op het Nationaal Monument Watersnoodramp 1953, de verhalen rondom dit monument en voorspellingen over de toekomst. Met de stijgende zeespiegel en de huidige staat van het klimaat zijn de verhalen van toen nog altijd relevant. 

Hoofdstuk 1 

“Zie ik je morgen?” vraagt Kyan. “Tuurlijk! Ik bel je toch elke dag.” Zeg ik snel terug. Ik heb hem al maanden niet meer in het echt kunnen zien. Gelukkig kan hij met deze technologie wel nog voor mij staan. Ik kan mij niet voorstellen hoe dat vroeger was toen je elkaar alleen maar belde met geluid of op een plat scherm zag. Toch kan ik niet wachten tot ik hem weer vast kan pakken. “Tot morgen. Ik mis je!” roep ik terug. De afgelopen maanden heb ik uit verveling een dagboek bijgehouden. Er gebeurt zo weinig thuis. Het enige wat we nu nog kunnen doen is wachten en hopen dat alle voorbereidingen genoeg zijn geweest.  

21 november 2091 

Het is inmiddels alweer dag 182 dat we binnen zitten. Het is gek om te bedenken dat de laatste keer dat we naar buiten mochten ik nog 14 was. Zoals ik een paar maanden geleden schreef is het bos bij ons om de hoek, rondom het monument van de watersnoodramp in 1953 volledig afgebrand. Vroeger speelde ik daar altijd in de buurt. Als je nu de beelden ervan ziet herken je het niet terug. Vandaag verscheen op het nieuws hologram dat door de extreem droge en warme lucht in de zomer, wereldwijd maar liefst 43% van alle bossen is afgebrand. In één zomer! Ik houd mijn hart vast voor volgend jaar. Als we er dan nog zijn tenminste en het ondergrondse woningen stelsel genoeg is geweest. Ook kwam er naar buiten dat de zeespiegel nu met meer dan een meter is gestegen. Jaren geleden kondigden ze al aan dat het in deze situatie niet lang meer zal duren, voordat ons land zal overstromen. We kunnen nu alleen nog maar wachten. Ongeveer 138 jaar geleden lag een deel van Nederland onder water. Vanaf kleins af aan heb ik hierover geleerd op school. Vanaf groep vier word je voorbereid op het feit dat onze generatie dit waarschijnlijk gaat meemaken. Vroeger was de overstroming om andere redenen. Er was een heftige storm samenvallend met een ongunstig tijdstip van vloed en springtij, waardoor de dijken overspoeld werden en doorbraken. Nu komt het door de klimaatverandering van de aarde. Dit zorgt er onder andere voor dat de zeespiegel steeds hoger komt te liggen. Soms maakt het mij wel boos. Dat wij nu opgesloten zitten, omdat een aantal generaties geleden mensen besloten dat het belangrijker was om geld te verdienen. Ze wisten dat de manier waarop ze dat deden slecht was voor de aarde. Ons lot is bepaald door deze mensen. Alles wat we nu kunnen doen is proberen het zo lang mogelijk vol te houden met alle rampen die zich voordoen. We moeten overleven, overleven, overleven. Ik hoop dat we over een aantal jaren naar een andere planeet kunnen verhuizen. Dat zou toch geweldig zijn. Ik ben alleen bang dat dat nog wel even gaat duren.  

“Juna kom even helpen” roept mijn moeder vanuit de woonkamer. Ik leg mijn dagboek naast me neer op bed en loop naar haar toe. Ze heeft de vloer volgebouwd met spullen. “Mam wat ben je nou aan het doen? We hebben een paar dagen geleden al onze spullen opnieuw ingepakt.” Mijn moeder is al maanden enorm gestrest. Ik snap het ook wel. Toen ze klein was kreeg ze van haar oma de verhalen over haar overgroot oma tijdens de watersnoodramp in 1953 te horen. Het is vreselijk wat er toen is gebeurd. Toch probeer ik te vertrouwen op alles wat onze overheid heeft geregeld. Zo zijn de ondergrondse woningen eindelijk af. Ik heb mij wel eens afgevraagd waarom we daar nog niet zijn gaan wonen, aangezien we weten dat de overstroming eraan gaat komen. Mijn vader zegt dat dat is omdat ons land overbevolkt is. Volgens hem is er niet genoeg plek voor iedereen. Pas als de sirene gaat en het tijd is om te gaan zullen we erachter komen of dit klopt. Gek genoeg hoop ik dat het snel gebeurt. We wachten nu al maanden tot de overstroming komt. Al die tijd heb ik niemand anders dan mijn ouders kunnen zien. Daarnaast voel ik de spanning in huis steeds meer oplopen. Gaat het ons lukken om in de ondergrondse woningen te komen en zal het goed genoeg gebouwd zijn om ons lang te kunnen voorzien van zuurstof en eten, terwijl de wereld boven ons onderwater ligt? Kan ik Kyan weer zien als we daar zijn? 

 

Hoofdstuk 2 

 

Na een paar uur ga ik terug naar mijn kamer. Niet wetende dat het vannacht eindelijk de nacht is. Het is 3:05 ‘s nachts wanneer ik wakker schrik van enorm hard geluid. Nog geen tien seconden nadat de sirene begint, staat mijn moeder al naast mijn bed in volle paniek. “Juna waar wacht je op! We moeten nu weg!” Ik schrik op en het besef komt binnen. Dit is niet zomaar een sirene maar DE sirene. Het gaat nu echt gebeuren. Het moment waar we al tijden op aan het voorbereiden zijn. Gelukkig slaap ik al vanaf het moment dat we binnen moesten blijven in mijn vluchtkleding, waardoor ik gelijk door kan rennen naar de woonkamer. Mijn vader hijst mijn backpack op mijn rug en ik maak zo snel als ik kan alle klipjes vast. Binnen twee minuten staan we met onze zuurstofmaskers en tassen bij de voordeur. De deur die we al maanden niet open hebben gedaan. Voor vijf seconden lang kijken we alle drie angstig naar de deurklink. Bang voor wat we buiten aan zullen treffen. Met mijn rechterhand pak ik mijn moeder vast die inmiddels aan het trillen is. Met mijn linkerhand grijp ik naar de deurklink. Mijn vader legt zijn hand op de mijne en samen duwen we de klink naar beneden. Ik voel de wind langs mijn gezicht door mijn haren gaan. Een gevoel waarvan ik niet had verwacht dat ik het zo heb gemist. Ik hoor kleine kinderen huilen en mensen voor ons lang rennen. “Die kant moeten we op denk ik. Laten we achter deze mensen aangaan.” Zegt mijn vader. We zijn nog nooit bij de schuilkelder geweest. Er is ons vertelt dat wij er één in ons hofje hebben, maar waar weten we niet. In het hofje waar Kyan woont is er geen schuilkelder. De dichtstbijzijnde voor hem is bij ons hofje. Terwijl we achter de menigte aanrennen kijk ik om mij heen of ik Kyan ergens zie. Het is donker en iedereen is in paniek. Mensen vallen, kinderen huilen en spullen liggen over de weg. Zodra we om de hoek van de straat komen zien we een witte box met een groep mensen ervoor. Dit zal de schuilkelder moeten zijn. Gek genoeg had ik verwacht dat het echt een soort kruipruimte zou zijn, maar het lijkt wel een lift. Het is niet erg groot. Hoe gaan we hier met ze allen inpassen? Ik kijk naar mijn moeder terwijl we aansluiten achter de menigte. Je kan de angst in haar gezicht zien. De sirene begint luider te klinken. Mensen zijn aan het duwen en we worden bekneld in de rij. Mensen staan op mijn voeten, ik moet mijn hoofd schuin houden, mijn backpack wordt alle kanten opgeduwd en ik val een paar keer bijna om. Na een paar minuten staan we redelijk vooraan. Wij horen bij de volgende groep die naar binnen kan. Waar zou Kyan toch zijn? Misschien is hij wel al binnen. De deur gaat open en we worden van achter naar binnen geduwd. Ik word gedwongen de handen van mijn ouders los te laten. Gelukkig weet ik dat ze met mij in deze lift staan. De deuren gaan weer dicht en mijn zuurstofmasker wordt van mijn gezicht geslagen. Ik vang hem op en terwijl ik het masker opnieuw op probeer te zetten zie ik Kyan aan de andere kant van de deur. Hij roept iets dat ik niet kan verstaan en schudt ‘nee’ met zijn hoofd. Wat bedoelt hij? “Wat is er?” roep ik zo hard als ik kan. De lift gaat naar beneden en hij verdwijnt uit mijn zicht.